Deze week hoorde ik een grappig verhaaltje over één van mijn kleine vriendjes hier in de buurt. Een beetje in de peuterpubertijd schijnt hij te zijn. “Dan begint ’t leuk te worden,” denk ik.

Deze kleine boef kwam bij zijn mama en biechtte eerlijk op, dat hij van ‘dat roze’ geproefd had. Dat was een beetje een overbodige mededeling, daar zijn peuterlipjes en omgeving vrolijk roze kleurden.

Mama rende naar boven om uit te vinden wat de oorzaak kon zijn. Bliksemsnel scande ze de inhoud van haar kasten op peutergrijphoogte, stelde vast dat ze niet in het bezit was van roze lipstick. Wat wel…?

Naast het bed van papa, de lade van het nachtkastje nog open werd het antwoord gevonden: een tabletje van de bekende roze pijnstiller, waar duidelijk twee peutertandjes aan hadden geknaagd. Niks lekker, dus gelukkig snel terzijde gelegd.

Wat ik echt bijzonder vond aan het verhaal, was de reactie van de ouders. Waar ik bij mijzelf een vlaag van lichte paniek zou herkennen terwijl ik de hoeveelheid geconsumeerde pijnstiller afzette tegen het lichaamsgewicht van de kleine boef (helpt niet, zo’n medische achtergrond), reageerden ze heel laconiek.

“Ja, niet handig, die tabletten op kinderhoogte. Begrijpelijk dat hij dat pakt.” De pillen werdenslimmer opgeborgen, het mondje werd schoongepoetst. Nergens in het verhaal een ‘foei’ of ‘stoute jongen’.

Nu is dit geen opvoedingsblog. Wel: mijn reflectie op hoe onze Vader met ons omgaat wanneer wij ‘peuterpubergedrag’ vertonen. Liefdevol bergt Hij zaken die ons schade kunnen doen, veilig voor ons op. Tot we voldoende wijsheid hebben om ook daarmee om te gaan. Moeder Genade poetst ons schoon en glimlacht over ons. “Ja, dat doet mijn kind, dat hoort bij het groter groeien.”

Lees vandaag eens 1 Johannes 2 en ontvang hoe Vader’s zorg zich uitstrekt over iedere (geestelijke) levensfase!

Mooie week!