Deze week las ik het verhaal van de Samaritaanse vrouw opnieuw (Johannes 4). Vaak gelezen, vaak over horen preken en vaak over gesproken… en toch voor nú. 

De vrouw die Jezus bij de put ontmoet, lijkt niet heel inventief in het vinden van manieren om de leegte in haar hart te vullen. Na vijf mannen probeert zij het nu met nummer zes. Voordat ik hoofdschuddend vaststel dat zij wel heel veel genade nodig heeft, bedenk ik welke middelen ik heb ingezet totdat Jezus mij vulde met Zijn levend-water-dat-geen-dorst-geeft (vers 14). 

Het gaat niet om de slimme manieren die we vinden - sommigen zelfs met een religieus tintje - om ons lege hart te vullen. Uiteindelijk is het allemaal water-waar-je-weer-dorst-van-krijgt (vers 13). Surrogaat dus. Nep. 

Jezus is gekomen om ons the real thing te geven. Zo overvloedig, dat Zijn levende water in ons een bron wordt, die overstroomt. Zo real ook, dat we niets anders meer nodig hebben… toch? 

Nu even eerlijk? Achter in de tuin heb ik een verborgen vat. Soms bedenk ik dat daar nog wat van dat oude water in zit. Niet dat ik het nog nodig heb, maar ik zou ’t zó omhoog kunnen halen met mijn kruik. Nepwater. Maar toch, het smaakt soms zo vertrouwd… Niet belangrijk, of dat brakke water ‘werk’ heet of ‘drugs’, ‘mannen’ of ‘een website’, ‘bediening’ of ‘ego’. 

Herkenbaar? Dan herken je ook de terugkerende dorst die komt na een bezoekje aan je stiekeme vat… De Samaritaanse vrouw neemt na de ontmoeting met Jezus(spontaan? per geluk?) een geniale beslissing: ze liet haar kruik staan (vers 28)! 

Zullen we voor real gaan? Het water dat Hij ons geeft, dat in ons een bron wordt waaruit eeuwig leven stroomt. Laat alles staan wat je aan nep herinnert - die kruik heb je niet meer nodig! 

Dank U Jezus, dat U mij écht bedient met water dat leven geeft. Uw volheid is meer dan genoeg voor mij!